woensdag 20 november 2013

Uit liefde #4

“Dat is heel lief van je en zeker niet nodig!” Ze had mijn koffie voor me neergezet en bleef even stil zitten. Wat verwonderd om haar reactie keek ik haar aan. En waar was mijn redder? Zou het haar zoon zijn? Hij leek me daar eigenlijk iets te oud voor….
“Weet je..”sprak ze zacht: “Zoveel hebben we niet gedaan. Eigenlijk hij al helemaal niks…”en met enig verwijt in haar stem knikte ze de kant van haar man op. Maar de boer hoorde het niet. Of wilde het niet horen, misschien.
“Rowan moet je bedanken! Hij heeft je bijna een kilometer gedragen omdat de buren niet thuis waren! Hij heeft je warm gehouden. Is tegen je blijven praten. Hij heeft ervoor gezorgd dat je te drinken kreeg…” Ze zweeg even.
Ik kon me helemaal niet herinneren dat ik zolang in zijn armen had gelegen, dat ik drinken had gehad, dat was toch bij oom Harm? Met een schok realiseerde ik me dat ik dus echt gedronken had en uiteraard niet bij oom Harm! Ik begreep dat de periode die de man, die Rowan, met me door had gebracht nog veel langer en intenser was dan ik me kon herinneren. Vaag begon ik dingen terug te halen ..maar vooral begonnen die ogen weer door mijn hoofd te malen.
“Ik dacht dat …”maar ik zweeg. Hoe kon ik uit leggen dat ik begrepen had dat hij mij naar zijn huis gehaald had.
“Toe maar liefje”, de vrouw lag haar hand even op de mijne.
“Je dacht,”ging ze verder toen ik verward bleef zwijgen: “je dacht dat hij hier woonde, hè?
Ik knikte.
“Waar kan ik hem dan vinden?”
Maar de vrouw schudde haar hoofd.
“ik denk niet dat je hem kan vinden, meisje…ik weet alleen dat hij Rowan heet omdat hij dat melde bij de ambulancebroeders..”
“Maar die stuurden me naar dit adres”, mompelde ik.
“Dat klopt. Rowan wilde niet melden waar hij vandaan kwam….” Ze zweeg opnieuw.
“Ik stond erop om hem naar zijn huis te rijden met mijn auto maar hij weigerde..ik vond het zo erg dat hij weer vertrok. De koude sneeuwstorm in. In die oude kleren van hem! Mijn man draagt nog betere in zijn werk!”Ze schudde zuchtend haar hoofd.
“En weet je..”ging ze verder: “Ik ken iedereen die hier aan het Zuideinde wonen, maar ook aan de polderweggetjes hier omheen. Hij komt hier net vandaan. En volgens mij ook niet uit het dorp….wie weet hoe ver hij nog moest!”


Ik kreeg een naar gevoel van binnen. Ik had hem eerst als engerd beoordeeld, daarna als een bewoner…hij had zoveel voor me gedaan en verdween daarna in het niets….” En sinds die constatering noemde ik hem “mijn engel”…….want zo voelde hij voor mij: een mooie, lieve beschermengel! En zijn ogen bleven me achtervolgen!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen