dinsdag 19 november 2013

Uit liefde #3

Iets had me wakker gemaakt. Voorzichtig opende ik mijn ogen. Geschrokken constateerde ik dat ik niet in mijn bed lag. Ik keek niet in de ogen van mijn eigen man…maar van een vreemde! Zijn ogen waren donker, maar hadden een blik die mij deed rillen. Een blik alsof ik …alsof ik…waar was ik eigenlijk? Ik begon te beseffen dat ik pijn had. Pijn die vanuit mijn been naar de rest van mijn lichaam straalde. De warmte om me heen nam zachtjes aan mijn gedachten weer mee naar een kachel, een oom met een baret, warme chocomel…..
“Kom op, mevrouw, even hier blijven!” Een stem riep me. Het was niet de stem van oom Harm. Ik probeerde me los te rukken uit de warmte van de kachel en terug te keren naar die stem. Die lieve stem. Die me maar bleef roepen. Maar het lukte niet echt. Ruwe handen streken over mijn wangen. Ruw, maar de aanraking was zacht. Het dwong me terug te keren naar de werkelijkheid.
Moeizaam opende ik mijn ogen, de man knikte me vriendelijk toe. Ik hoorde een vrouwenstem die meldde dat de ambulance de dam opreed. De man zuchtte hoorbaar…..dankbaar…


Het was een paar weken later voordat ik in staat was om op zoek te gaan naar mijn redder. Van de ambulancedienst had ik begrepen dat ik opgehaald was op Zuideinde 16. In het ziekenhuis had ik te horen gekregen dat ik niet veel langer in de kou had moeten blijven…dus mijn redder had gelijk gekregen. De post deed er even niet toe. Sterker nog: van de post had ik zelfs een bloemetje gekregen in het ziekenhuis! Niet te geloven dat ik me daar zo druk om had gemaakt. Mijn been was niet gebroken maar wel zwaar gekneusd.
Ik liep nog steeds niet lekker maar ik kon de voordeur redden vanaf mijn autootje.
Toch wel zenuwachtig belde ik aan. Ik had een groot boeket en een doos chocolaatjes meegenomen om de boer te bedanken. De oude deur van de boerderij zwaaide open. 
Een oudere dame in schort en op sloffen keek me eerst wat verbaasd aan. Maar toen begon ze te glimlachen.
“Kijk wie we daar hebben! U bent die mevrouw die van haar fiets gevallen was, toch?” klonk het vriendelijk. Ik knikte wat verlegen. Ze wenkte me naar binnen. Door een gang liepen we naar de achterkant van het huis waar de woonkeuken zich bevond. De boer zat zijn krantje te lezen en grote mokken koffie stonden op de ovale tafel. De boerin wees naar een lege stoel terwijl ze me vroeg wat ik wilde drinken.
“Als ik u niet stoor, lust ik wel koffie..”stamelde ik. De boer keek even op. Ik zag aan zijn gezicht dat hij me niet herkende. Maar wat erger was: ik herkende hem ook niet! Zijn ogen waren hard, groen en klein. Niet de mooie bezorgde ogen die ik in mijn dromen tegenkwam…die door mijn hoofd bleven dwarrelen als sneeuwvlokjes op een stormachtige avond…
“Natuurlijk stoor je ons niet. Hé Bas, dit is de dame die toen hier met de ambulance meegenomen is!” Bas keek even op, knikte me even toe en verdween weer achter zijn krantje.
“Nou lieverd, vertel, hoe is het met je?” De boerin was blijkbaar gewend aan het onvriendelijke gedrag van haar man. Ze negeerde totaal zijn onverschilligheid en neuriede een liedje terwijl ze de koffie inschonk. Ik aarzelde even. Moest ik nu mijn verhaal vertellen, wachten tot zij klaar was met koffie inschenken (en neuriën) of eerst mijn geschenken geven?
Ik besloot tot het laatste.

“Ik wil jullie graag bedanken voor alles”, stamelde ik. Boer Bas reageerde niet. Maar de boerin kwam naast me zitten.
wordt vervolgd...

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen