maandag 18 november 2013

Uit liefde #2

In het zwakke schijnsel van de lantaarnpalen kon ik zien hoe hij ongeveer kroop door de berm om de post zo veel mogelijk bij elkaar te rapen voordat een nieuwe windvlaag ze verder mee zouden nemen. Zijn lange gehavende jas sleepte daarbij over de grond. Eigenlijk verbaasde ik me er niet eens over. Achteraf gezien natuurlijk ronduit schandalig maar de pijn in mijn been en de angst voor het verliezen van mijn baantje vertroebelden blijkbaar mijn heldere denkvermogen. De kou trok mijn kleding in en bereikte al snel mijn huid. Ik voelde hoe het omhoog kroop en bezit nam van mijn onderlichaam. De tranen, die stil over mijn wangen biggelden, leken direkt te bevriezen. Opeens stond de man weer voor me.  Hij tilde zonder moeite de fiets op die nog altijd op mijn zere been lag. Hij schudde zijn hoofd en mompelde een verontschuldiging.
“Mijn post..”stamelde ik opnieuw. Maar nu keek de man me aan. Zijn ogen bezorgd, zijn mond strak gespannen.
“Jij eerst”, sprak hij.
“Maar..”
“Niks maar. Die post kan vervangen worden. Jij niet!”
Ik realiseerde me niet dat hij gelijk had. Dat ik hard op weg was onderkoeld te raken. Dat ik nodig van die ijskoude grond af moest komen.
“Sorry,”mompelde hij nog een keer: ”Dit had ik meteen moeten doen!”
Hij zette met gemak de fiets opzij terwijl ik het opnieuw uitgilde van de pijn. De post die hij had opgeraapt had hij in één van de postzakken aan de zijkant van mijn fiets gedaan. Voorzichtig probeerde hij mij te laten staan. Maar de pijn in mijn been liet echt niet toe dat ik ook maar even erop leunde. Ik dreigde om te vallen, neer te zakken opnieuw op die ijsbaan (wat de weg ondertussen wel geworden was) maar de man hield me stevig vast.  Zijn ruwe, stevige handen hielden me niet alleen vast maar wisten op de één of andere manier ook nog de tranen van mijn gezicht te vegen. Hij spreidde met één hand zijn jas uit op de grond en probeerde mij zo voorzichtig mogelijk erop te laten plaats nemen.
“Is vast een boer die op weg was voor een laatste inspectieronde van zijn vee…”schoot het door me heen. Wie zou het anders in zijn hoofd halen om hier op dit tijdstip te gaan wandelen? Hij deed me denken aan Oom Harm. Een oud mannetje, een oom van mijn moeder. Hij was allang de zeventig gepasseerd toen ik nog een kind was. Hij woonde alleen op een klein boerderijtje midden in de polder. Oom Harm had drie koetjes en wat schaapjes.
En slenterde de hele dag een beetje rond op zijn bedrijfje. Overalls haatte hij. In plaats daarvan droeg hij oude kapotte broeken, een lange oude jas (zoals deze man ook had) en een baret. In de winter gingen we bij hem schaatsen in de polder en kregen we van hem heerlijke warme chocomel bij de warme kachel…die hij dan extra warm stookte.
Mijn redder  haalde me uit mijn herinneringen.
“Niet indutten…kom op…niet indutten!” Ik besefte dat ik ondertussen in zijn armen lag…en dat hij me meedroeg. Vast op weg naar zijn huis…vast op weg naar de heerlijke warmte van een kachel…met heerlijke chocomel…vast op weg om ….

“Kom op! Blijf bij me!” Zijn stem was warm..zo warm als chocomel….

wordt vervolgd

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen